
“Beautiful British Columbia,” zo adverteert de provincie ten westen van Alberta (“Wild Rose Country”) zich. En terecht, zoals ik dit weekend heb ontdekt.
Voor ‘echte’ studenten (niet voor interns, zoals ik) waren de afgelopen dagen ‘reading days’. Dat viel niet geheel toevallig samen met Remembrance Day, op 11 november, waarop de slachtoffers van (voornamelijk) de Eerste Wereldoorlog worden herdacht. Canadezen dragen op deze dag (en soms de dagen ervoor) plastic bloemetjes op hun borst, bekend als ‘poppies’. Maar deze nationale herdenkingsdag betekende ook dat het weekend vier dagen lang was, en zo trok vrijdagochtend een groep van negen internationale studenten erop uit om Vancouver en omstreken onveilig te gaan maken. Dat ze ons daarvoor niet nodig hadden wisten we op dat moment nog niet.
In tegenstelling tot onze road trip naar Jasper hadden we nu auto's van normaal formaat. Dat wil dus zeggen, te klein voor mij. Niet echt een pretje, maar voorin was het wel uit te houden.
De route van Calgary naar Vancouver is heel eenvoudig. Rijd in Calgary de Highway 1 op, en rijd er in Vancouver weer af. Desalniettemin is het wel een stukje rijden: 1000 km, 12 uur, één tijdzone. De eerste dag bestond dan ook voornamelijk uit rijden.
In Calgary was het weer prima, maar het weerbericht voor Vancouver voor de komende dagen liet weinig ruimte over voor hoop: “rain,” “heavy rain,” “heavy rain,” “rain.” Inderdaad begon het te sneeuwen toen we de Rockies over reden, en het laatste stuk tot aan Vancouver heeft het aan een stuk door geplensd.
Toch hebben we nog wel wat gezien van British Columbia, oftewel B.C., voordat het donker werd. Heuvelachtig, en veel, heel veel naaldbomen, maar nu en dan ook open velden. De gebouwen en dorpjes die we onderweg tegenkwamen, waren een beetje wild-west-achtig: afbladderende verf, roestige trucks, afgedankte machines en meer van dat soort tekenen dat het allemaal niet zo'n haast heeft.
In Vancouver zouden we twee nachten doorbrengen, om in de tussenliggende dag wat van de stad te zien. Onderdak had iemand geregeld via de Hospitality Club: gewone mensen die elkaar kostenloos een slaapplaats aanbieden. Dat betekende dat de meesten van ons op de grond moesten slapen, maar hee, het was gratis!
Of we het de volgende keer weer zo doen valt echter te betwijfelen. De deur werd opengedaan door onze gastheer, een man van rond de veertig met een versleten spijkerbroek, geruite blouse en een honkbalpet op. Hij was ooit boekbinder, maar was werkloos geraakt toen zijn werkgever failliet ging, en nog te jong om zijn pensioen op te eisen. Hoe hij precies de eindjes aan elkaar knoopte en zijn enorme televisie betaald had, is ons niet duidelijk geworden, en we hebben maar niet doorgevraagd.

Het huis waarin hij woonde was nog niet af. Hij was twintig jaar geleden begonnen met het bouwen ervan, maar het werk van zijn aannemer beviel hem niet, en toen heeft hij het zelf overgenomen. Wat hij moest weten had hij zichzelf geleerd, en het moet gezegd, de delen van het huis die al af waren zagen er heel professioneel uit. Het kon inderdaad een heel mooi huis worden, maar om het in zijn eentje af te krijgen zou de man toch wat harder door moeten werken.
Zelf woonde hij in de kelder, waardoor twee slaapkamers op de bovenverdiepingen vrij bleven voor ons. Naast een hoop rotzooi die zo van een rommelmarkt leek te komen, stond in elke kamer een tweepersoonsbed. Voor de rest van ons waren er matten en hier en daar een plekje op de vloer.
De bovengrondse keuken was nog niet af, dus om te koken moesten we de kelder in. Hetzelfde gold voor de douche. Die kelder was de reden dat niet iedereen zich in dit huis helemaal op haar gemak voelde.

De muren van zijn woonkamer beneden waren volgeplakt met foto's van vrouwen. Naakt, halfnaakt, dik, dun, groot, klein, zwart, blank… het leek niet uit te maken. Elke vierkante centimeter van de muur was bedekt. Hoog op de muur van het douchehoekje [sic] kon je over het douchegordijn heen een paar knipsels uit de Playboy zien. “Women don't seem to like the basement, but once I get the kitchen done, they'll be lining up to live here,” aldus de bewoner. Wij hadden hier zo onze twijfels over.



Onze gastheer stond voor de rest van de reis bekend als “The Guy,” met hoorbare hoofdletters. (Misschien was het ook omdat de meesten van ons zijn naam niet wisten.) Maar hij had veel rondgereisd op zijn motorfiets, en had mooie verhalen over India, Cuba en andere verre, vreemde landen, dus dat maakte het wel weer een beetje goed. Hoewel er geen enge dingen gebeurd zijn, hebben we na lang overleg besloten om de nacht op de terugreis vanaf Vancouver Island toch in een hostel door te brengen.
Zoals gezegd zijn we de volgende dag de stad gaan bekijken. Onze toeristenboekjes leidden ons eerst naar Granville Island. Er leidt gewoon een brug naartoe, maar aangezien het regende besloten we om toch zo'n schattig veerpontje te nemen.

De voornaamste attractie van Granville Island zijn de markten, die zijn opgesteld in oude loodsen. En aangezien ook de locals hier hun boodschappen doen valt het erg mee met de hoeveelheid souvenirkraampjes.



De reis vervolgde zich richting Downtown. Bij de VVV waren we al gewaarschuwd voor een zekere straat, Hastings Street, en de omgeving daarvan. Daar zouden een hoop drugsdealers en ander onguur tuig zich ophouden. Voor de wandeling die we hadden uitgestippeld hoefden we niet op Hastings te blijven, maar we moesten deze straat wel oversteken. Ach, hoe erg kan het zijn?
Erg. Mijn camera had ik natuurlijk weggestopt, dus ik moet het bij woorden laten. Geen portiek, of er lagen wel een of twee zwervers in te slapen. Onverzorgde mensen reden al hun bezittingen rond in winkelwagens. Een enkeling had een fiets. De bankjes op de straathoeken zaten en lagen vol met dakloos ogende mensen. Een ongeschoren man vroeg Robert om geld. “My car was stolen…” jaja. Een ander vroeg mij om een dollar, maar ik weigerde instinctief. “Come on, I just broke out of jail.” Overtuigend argumenteren was duidelijk niet zijn sterkste punt.
Maar goed, ook dit avontuur hebben we zonder kleerscheuren overleefd, en zo kwamen we terecht in Chinatown. Een wonderlijke mix van Chinese en westerse culturen. De gebouwen zijn westers, maar alle opschriften zijn uitsluitend in het Chinees. Vele winkeltjes met vreemde ingrediënten hadden hun koopwaar uitgestald op de stoep. De labels, in het Chinees, maakten het des te mysterieuzer. Wel herkenbaar waren de vissen, en tot op zekere hoogte ook het vlees.


Na ons voor 4 dollar (€ 2,60) tegoed te hebben gedaan aan een flinke hoeveelheid eten (“fired rice”, met viltstift gecorrigeerd tot “fried”) lieten we Chinatown weer achter ons. Een andere attractie van Vancouver is de bibliotheek, een van de vele bijzondere gebouwen in de stad.

Extra leuk, omdat in Vancouver een groot deel van de nieuwe Battlestar Galactica tv-serie is opgenomen. Grappig om te zien hoe je een bestaande locatie kunt nemen, wat mensen wegjagen, een beetje geeloranje licht Photoshoppen en met een strak gezicht kunt beweren dat het Caprica is.

Een van de bekendste attracties in Vancouver is Stanley Park. Dit is gelegen op een schiereiland, en je kunt er met de auto omheen rijden. Een wandeling door het park leek ons minder geschikt, omdat het intussen al aardig donker aan het worden was. Maar ook vanaf de rand van het park hadden we een prachtig uitzicht over nachtelijk Vancouver.


De twee dagen daarna hebben we doorgebracht op Vancouver Island, het eiland voor de kust bij Vancouver. Maar dat bewaar ik voor de volgende post. Als ik verklap dat het de mooiste plaats van de wereld is, geef ik niet te veel weg, toch?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten